door Philippe Delstanche, vertaling door Katja Blanken
Ik ben kwaad, woest zelfs, en ik heb mijn buik vol van alle pesterijen en beledigingen die de Brusselaars moeten ondergaan.
Al maanden slaan de politieke partijen en de erbijhorende, zich in het nauw gedreven, op taalkundige leest geschoren organisaties, elkaar om de oren met nota’s, voorstellen, berekeningen en verschillende projecties naar de toekomst. Iedereen verdedigt, voor alles, zijn eigen standpunten en wil zijn historische verworvenheden of recent verworven kiezerspubliek niet alleen verdedigen maar ook uitspelen en dit ten koste van het electoraat met andere standpunten en andere wensen zoals, met name, de Brusselaars. En dus zullen de Brusselaars weer maar eens de slachtoffers worden van de uiteindelijke beslissingen van enkele oudere excellenties die, goed afgeschermd van kritiek en daadwerkelijke materiële gevolgen, opereren binnen de warmte van de communautaire partijstructuur en wier enige legitimiteit is dat ze eigenmachtig gekozen zijn door hun respectieve (Nederlandstalige of Francofone) voorzitters.
Van de andere kant verdrinken studiecentra, universiteiten, deskundigen uit alle hoeken en windstreken en van uiteenlopende geografische of taalkundige achtergronden, diezelfde politici met studies, berekeningen en beargumenteerde voorstellen die zonder uitzondering, op onweerlegbare wijze, laten zien dat Brussel van de ene kant gefinancierd is op een notoire ongelijke wijze (en aanzienlijk onder een niveau dat minimaal acceptabel is), en dat van de andere kant, zonder de opbrengst van de rijkdom die wordt gegenereerd in Brussel, Vlaanderen en Wallonië aanzienlijk minder rijk zouden zijn.
Het merendeel van de politiek verantwoordelijken zweert dat ze de interpersoonlijke solidariteit tussen allen binnen een, volgens het aantal stemmen, hertekend België absoluut wil behouden – iets wat soms wel heel moeilijk te verzoenen is. Maar alle tot nu toe voorgestelde plannen bevestigen op een onweerlegbare wijze dat de enige Belgen die buiten deze heilige solidariteit zullen vallen de Brusselaars zijn.
Omdat de Brusselaars er historisch van uitgesloten zijn een verdeling te verkrijgen die in overeenstemming is met de rijkdom die deze regio produceert zullen ze, nog meer dan in het verleden, ertoe veroordeeld worden zelf de infrastructuur te financieren die de Walen en de Vlamingen toestaat hun niveau van leven voort de zetten terwijl men van Brussel bovendien ook nog vraagt om zich te verantwoorden over verbeteringen, met name op het gebied van werkgelegenheid, om aanspraak te kunnen blijven maken op de beperkte financiële tegemoetkoming die men haar nogal neerbuigend toeschuift.
De eis van territoriale homogeniteit die Vlaanderen vraagt, met name op taalkundig en cultureel vlak, zou de Brusselaars ontzegd worden onder het (enige) voorwendsel dat ze inderdaad willen leven in een waarachtig meertalige, multiculturele regio, waar alle inwoners zouden kunnen genieten van dezelfde rechten en plichten zonder dat ze zich, op een kunstmatige manier, zouden moeten horig verklaren tot een taalgebonden groep.
Brussel, grondwettelijk tweetalig, kan het zich eenvoudigweg niet veroorloven een tweetalig onderwijs aan te bieden dat haar zonder enige twijfel de mogelijkheid zou geven de werkeloosheid aanmerkelijk te verlagen, een werkeloosheid die men haar notabene durft verwijten. Interessant is erop te wijzen dat deze situatie er aanzienlijk toe bijdraagt dat men binnen de verschillende Brusselse administratieve diensten (regionaal, gemeentelijk, politie, brandweer, etc.) “tweetalige” medewerkers uit de andere regio’s aan moet trekken.
Tot wanneer gaan de Brusselaars zich, zonder mokken, laten kaalplukken? De Brusselaars moeten het respect en de gelijkwaardige behandeling zoals de andere regio’s die kennen eveneens eisen. De enige doeltreffende oplossing is het eenvoudigweg afschaffen van de Gemeenschappen en de overdracht, op voet van gelijkheid, van de bevoegdheden naar de vier volwaardige regio’s.
Ik ben kwaad, woest zelfs, en ik heb mijn buik vol van alle pesterijen en beledigingen die de Brusselaars moeten ondergaan.
Al maanden slaan de politieke partijen en de erbijhorende, zich in het nauw gedreven, op taalkundige leest geschoren organisaties, elkaar om de oren met nota’s, voorstellen, berekeningen en verschillende projecties naar de toekomst. Iedereen verdedigt, voor alles, zijn eigen standpunten en wil zijn historische verworvenheden of recent verworven kiezerspubliek niet alleen verdedigen maar ook uitspelen en dit ten koste van het electoraat met andere standpunten en andere wensen zoals, met name, de Brusselaars. En dus zullen de Brusselaars weer maar eens de slachtoffers worden van de uiteindelijke beslissingen van enkele oudere excellenties die, goed afgeschermd van kritiek en daadwerkelijke materiële gevolgen, opereren binnen de warmte van de communautaire partijstructuur en wier enige legitimiteit is dat ze eigenmachtig gekozen zijn door hun respectieve (Nederlandstalige of Francofone) voorzitters.
Van de andere kant verdrinken studiecentra, universiteiten, deskundigen uit alle hoeken en windstreken en van uiteenlopende geografische of taalkundige achtergronden, diezelfde politici met studies, berekeningen en beargumenteerde voorstellen die zonder uitzondering, op onweerlegbare wijze, laten zien dat Brussel van de ene kant gefinancierd is op een notoire ongelijke wijze (en aanzienlijk onder een niveau dat minimaal acceptabel is), en dat van de andere kant, zonder de opbrengst van de rijkdom die wordt gegenereerd in Brussel, Vlaanderen en Wallonië aanzienlijk minder rijk zouden zijn.
Het merendeel van de politiek verantwoordelijken zweert dat ze de interpersoonlijke solidariteit tussen allen binnen een, volgens het aantal stemmen, hertekend België absoluut wil behouden – iets wat soms wel heel moeilijk te verzoenen is. Maar alle tot nu toe voorgestelde plannen bevestigen op een onweerlegbare wijze dat de enige Belgen die buiten deze heilige solidariteit zullen vallen de Brusselaars zijn.
Omdat de Brusselaars er historisch van uitgesloten zijn een verdeling te verkrijgen die in overeenstemming is met de rijkdom die deze regio produceert zullen ze, nog meer dan in het verleden, ertoe veroordeeld worden zelf de infrastructuur te financieren die de Walen en de Vlamingen toestaat hun niveau van leven voort de zetten terwijl men van Brussel bovendien ook nog vraagt om zich te verantwoorden over verbeteringen, met name op het gebied van werkgelegenheid, om aanspraak te kunnen blijven maken op de beperkte financiële tegemoetkoming die men haar nogal neerbuigend toeschuift.
De eis van territoriale homogeniteit die Vlaanderen vraagt, met name op taalkundig en cultureel vlak, zou de Brusselaars ontzegd worden onder het (enige) voorwendsel dat ze inderdaad willen leven in een waarachtig meertalige, multiculturele regio, waar alle inwoners zouden kunnen genieten van dezelfde rechten en plichten zonder dat ze zich, op een kunstmatige manier, zouden moeten horig verklaren tot een taalgebonden groep.
Brussel, grondwettelijk tweetalig, kan het zich eenvoudigweg niet veroorloven een tweetalig onderwijs aan te bieden dat haar zonder enige twijfel de mogelijkheid zou geven de werkeloosheid aanmerkelijk te verlagen, een werkeloosheid die men haar notabene durft verwijten. Interessant is erop te wijzen dat deze situatie er aanzienlijk toe bijdraagt dat men binnen de verschillende Brusselse administratieve diensten (regionaal, gemeentelijk, politie, brandweer, etc.) “tweetalige” medewerkers uit de andere regio’s aan moet trekken.
Tot wanneer gaan de Brusselaars zich, zonder mokken, laten kaalplukken? De Brusselaars moeten het respect en de gelijkwaardige behandeling zoals de andere regio’s die kennen eveneens eisen. De enige doeltreffende oplossing is het eenvoudigweg afschaffen van de Gemeenschappen en de overdracht, op voet van gelijkheid, van de bevoegdheden naar de vier volwaardige regio’s.
0 commentaires - commentaren - comments:
Post a Comment